De laatste getuigen van een verborgen geschiedenis

ALS DE RMS ÉÉN IS, IS DIE HEEL STERK!’

Laurens Philip Johan Rampen, geboren in Tondegesan (Menado), 1935.
Woonachtig in Huizen. Was lid van de Permesta, de onafhankelijkheidsbeweging op Sulawesi. Het eiland werd destijds Celebes genoemd.

Aan het eind van de jaren 50 richtte luitenant-kolonel Ventje Sumual op Celebes de Permesta beweging op. Laurens Rampen was één van de strijders die deelnam aan de bezetting van Jailolo en Morotai. Op dat laatste eiland werd zijn voltallige groep gevangengenomen en via Ternate naar  Ambon overgebracht. Onder zijn medegevangenen waren lieden die contact hadden met een lid van de RMS-beweging. In het diepste geheim werd een ontsnappingsplan beraamd.


Rampen: ‘Ik waarschuwde hen: “Het is heel gevaarlijk terrein, Ambon is immers een eiland. Ze kunnen ons oppakken en fusilleren.” Maar de anderen zeiden: “Nee, de RMS heeft alles al voorbereid.”  Ze hebben namelijk een chauffeur die weliswaar lid is van de TNI, maar ons tegen betaling wilde helpen. Na het appèl gingen we naar binnen. Van tevoren hadden we alles al voorbereid.
’s Avonds kropen we onder het prikkeldraad door.  We waren met negen man. Op ongeveer 200 meter van Kuda Mati moesten we op de truck wachten. Die kwam na vijf minuten. We waren natuurlijk bang, maar we reden zonder problemen van Ambon naar Tulehu waar een prauw lag. Van Tulehu roeiden wij naar Kamarian. Toen we daar aankwamen, zeiden de mensen dat we niet naar het dorp moesten gaan, dat was te gevaarlijk. Dus bleven we voor alle zekerheid in de kebon – moestuinen buiten het dorp.’
De dorpsbewoners voorzagen de mannen van eten tot RMS-strijders hen kwamen ophalen. ‘Soumokil had daartoe opdracht gegeven,’ aldus Rampen. ‘Drie Menadonezen – Noes, Max en ik – gingen samen met twee Butonnezen en een Ambonees met hen mee. Vanuit Kamarian liepen we naar het binnenland. De tocht was heel zwaar, want we moesten klimmen. In het dorp Loumoli werden we enthousiast verwelkomt. Iedereen dacht dat we gingen samenwerken tegen de Indonesische onderdrukker.’
Na nog eens drie dagen lopen, kwamen de mannen bij het hoofdkwartier van Soumokil aan die destijds verbleef in de binnenlanden van Seram vlakbij Amahei. Bij aankomst werden de mannen ‘met egards’ ontvangen. Op het plein werd een militaire ceremonie gehouden en daarna verwelkomde Soumokil zijn gasten.


Rampen: ‘Hij zei onder meer: “Fijn dat de Permesta met ons wil samenwerken tegen de onderdrukking door het Indonesische leger!”  Soumokil was een goede strijder: hij verdedigde de RMS.’
Op Seram werden ze in verspreid over verschillende dorpen. Rampen: ‘Bataljon 1 stond onder leiding van kapitein Hatuina, kapitein Renussa en luitenant Pattiasina. Ik zat bij Pattiasina in Lumoli. Wij, de Menadonezen, werden gezien als RMS-strijders. We zaten met de Ambonezen in één barak, maar ik had een eigen kamer omdat ik hun meerdere was. Iedereen had dienst en liep patrouille, we waren immers militairen. Maar helaas hadden we onvoldoende wapens. Als de RMS destijds goed bewapend was, dan was die heel sterk geweest. Ik heb vaak het verhaal gehoord dat ze hulp verwachten vanuit het buitenland.’


Voor de veiligheid was het zaak dat er regelmatig werd verkast: ‘In die tijd was Seram militair bezet, dus kon je niet op één plek blijven.’
Tijdens zijn verblijf in noord-Seram brak een vuurgevecht uit tussen de RMS en het Indonesische leger, de TNI. Rampen: ‘We zaten in Hukuanakota. De TNI was daar geïnfiltreerd. We werden omsingeld en hadden weinig wapens.’

Wantrouwen
Na drieënhalf jaar op het eiland kregen elf mannen de opdracht om in Nederland contact op te nemen met de RMS-regering in ballingschap. Met een brief van Soumokil op zak vertrokken zij per boot naar Nieuw-Guinea waar ze werden opgewacht door wantrouwige Papoea’s. ‘Zij dachten dat wij Indonesiërs waren,’ lacht Rampen. ‘Pas toen één van ons, Walangitan, aan de militaire politie Soumokils brief liet zien, was alles goed.’ 
Daarna reisde de groep naar Nederland.


Eenmaal daar aangekomen merkte Rampen tot zijn verbazing dat Manusama hen niet vertrouwde. ‘Hoe is het mogelijk! Soumokil stuurde ons naar zijn eigen mensen en Manusama vertrouwde ons niet! Aan de ene kant was dat misschien begrijpelijk… want als we Ambonezen waren geweest, had Manusama het prima gevonden. Maar nu waren het een islamiet, een inwoner van Loumoli, de rest was christen en ik. We werden met scheve ogen ontvangen en dat vond ik jammer. Het probleem was dat er geen eenheid was onder de Molukkers. Nooit geweest.. Later klaagde zelfs nyonya daarover tegen mij: “Aduh, beta seng mengarti! Kasian… Thommy punya papa berjuang vor bangsa maar bangsa seng perluh! Kalau Thommy punya papa ada kerja buat diri sendiri… seng begini!”’

Manusama of Tamaela?
Destijds deed het gerucht de ronde dat Soumokil had gezegd dat niet Manusama maar Tamaela als RMS-president moest fungeren. Rampen moet daar om lachen. ‘Sorry hoor, maar dat zijn allemaal onzinverhalen. Ik had wel verwacht dat dit zou gebeuren.
In Nederland had je destijds allerlei verschillende partijen: Badan Persatuan RMS, Crams Pelaupessy, Crams Wenno …’ Hij schudt zijn hoofd. ‘De RMS-strijd liep
vertraging op door de leiding en dat is jammer! Nu is het zaak dat de jongeren geen uiteenlopende doelen hebben. Het belangrijkste is de strijd om de onafhankelijkheid en  daar is eenheid voor nodig, want anders bereik je niks. Het belangrijkste is om samen de ideeën te verwezenlijken. Ik moet dan terugdenken aan onze militaire actie… we waren weliswaar gehandicapt, maar wel ‘één’. Het is zoals ze zeggen: je gaat niet naar het oerwoud zonder parang.’


Na enig nadenken vervolgt hij: ‘Ik geloof niet dat Indonesië één blijft. Het rad draait langzaam… Papua en de Atjeher hebben het recht op zelfbeschikking. De Javanen kunnen van alles zeggen, maar zelfs op Java zijn ze het onderling niet eens. Dus als de RMS de krachten bundelt, is die sterk. Heel sterk!’

Monument
‘Toen ik hoorde dat Soumokil gefusilleerd was, heb ik de Molukkers ervan beschuldigd dat niemand het initiatief had genomen om zijn lichaam te zoeken. Dat begreep ik niet. Ik geloof dat het lichaam op Ubi is begraven, want dominee Souisa was getuige. Hij heeft vóór de executie met Soumokil gebeden. Eigenlijk had men meteen daarna het lichaam moeten opvragen om behoorlijk naar Ambon te brengen.’
Dat er nu een standbeeld komt voor de voormalig president vindt Rampen geweldig.

Interview geschreven door: Silvia Persireron

De laatste getuigen van een verborgen geschiedenis

Rampen maakte deel uit van de laatste RMS-militaire missie onder kapitein Walangitan rond 1962, zo behoort hij vandaag waarschijnlijk tot de allerlaatste directe getuigen van de guerrillaperiode van de Republik Maluku Selatan onder president Chris Soumokil.

Voor historici én de Molukse gemeenschap zijn deze getuigen van onschatbare waarde. Veel officieren van de APRMS uit die missies zijn inmiddels overleden, terwijl de guerrillaperiode op Seram slechts beperkt is vastgelegd in officiële archieven. Een groot deel van de geschiedenis leeft daardoor vooral voort in de persoonlijke herinneringen en mondelinge verhalen van de missieleden zelf.

De militaire missies tussen 1951 en 1962 speelden een cruciale rol. Zij probeerden internationale aandacht te krijgen voor de RMS-strijd, contact te leggen met Nederlands Nieuw-Guinea en de zaak wereldwijd zichtbaar te maken. De mannen die hieraan deelnamen stonden dicht bij de kern van deze geschiedenis en maakten vaak van dichtbij de gebeurtenissen en leiders van die tijd mee.

Juist daarom kiezen veel families er vandaag voor om deze verhalen vast te leggen. Interviews met vaders en grootvaders worden opgenomen, foto’s en documenten gedigitaliseerd en persoonlijke herinneringen verzameld, zodat dit bijzondere en kwetsbare stuk geschiedenis bewaard blijft voor toekomstige generaties. Want wat niet wordt verteld, dreigt voorgoed te verdwijnen.

Bron : Soumokil was een goede strijder: hij verdedigde de RMS.’

Related Post

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *