Reeds in 1878 staat er in de Czaar Peterstraat een Molukse man ingeschreven, Jacob Rehatta. Het duurt tot 1907 voordat een handjevol volksgenoten volgt, het zijn studenten. Begin jaren vijftig strijkt een tiental marinegezinnen neer in West, en tegenwoordig wonen er duizenden Molukkers in Amsterdam. 

De gebroeders Johan en Wim Tehupeiory zijn in 1907 de allereerste Molukse studenten in Nederland – toen nog ‘Ambonezen’ genoemd. Ze studeren aan de Universiteit van Amsterdam en verbazen zich er de eerste weken in hun pension op de Prinsengracht vooral over hoe serieus Nederlanders met tijd omgaan. Het lijkt wel alsof de alom aanwezige klok hun leven bepaalt. Een afspraak om tien uur, is tien uur en geen minuut eerder of later. In Indië kon een afspraak om tien uur, best elf uur worden of twaalf. Tijd was er rekbaar als rubber. 

Nederlanders in eigen land zijn, zo ontdekken de broers en hun medestudenten uit Nederland-Indië alras, heel anders dan Nederlanders in Indië. In Amsterdam wordt er wel met schuine ogen naar deze studenten gekeken, maar het is tenminste niet de neerbuigende blik die zij thuis gewend zijn. Exemplarisch is de anekdote die dr. Bertus Apituley, ook een Molukker, graag placht te vertellen. Toen hij eens met zijn collega Wim Tehupeiory bij een bouwplaats naar de werkzaamheden stond te kijken, werden zij gespot door twee Amsterdamse lieverdjes. De een wees naar de twee mannen en riep: ‘Hé kijk, twee pindachinezen.’ Waarop het andere jochie nog eens goed keek en antwoordde: ‘Ja, maar wel twee rijke pindachinezen.’ 

De Tehupeiory’s, Apituley en hun Molukse vrienden (we kennen ze bij naam: Augustin, Latumeten, Leiwakabessy, Mahulete en Sitanala) weten zich in Amsterdam razendsnel aan te passen. Dankzij hun studie aan de School tot Opleiding van Inlandsche Artsen (STOVIA) in Weltevreden bij Batavia spreken zij uitstekend Nederlands en zijn zij redelijk op de hoogte van de Nederlandse gebruiken. Zij blijken bovendien uitmuntende studenten. De Tehupeiory’s bijvoorbeeld studeren binnen het jaar af, terwijl ze nog voldoende tijd vinden voor het studentenleven.  

Waar zij in eigen land als tweederangsburgers worden behandeld door de Nederlandse kolonialen gaan zij in Amsterdam met Nederlanders om als gelijken. Ze genieten zelfs een zekere populariteit vanwege hun exotisch uiterlijk, hun levenservaring en medische kennis – en waarschijnlijk zijn het ook vriendelijke mannen. Beiden ontpoppen zich tot gevierde leden van het studentencorps en beiden krijgen een openlijke amoureuze relatie met een Nederlands meisje, ondenkbaar in Indië. De Molukse studenten van het eerste uur zijn na hun studie vrijwel allemaal teruggekeerd naar Nederlands-Indië. Dokter Apituley blijft, zijn nakomelingen wonen nu nog in Amsterdam. Sommige van zijn vrienden maken nog mee dat hun vaderland onafhankelijk wordt. Zij en het gros van de Molukse intellectuelen staan achter de Indonesische onafhankelijkheid en blijven na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 in Indonesië, zoals – en dat wordt in Nederland nogal eens vergeten – 99 procent van het Molukse volk.

Toch vertrekt in 1950 en ’51 een groep van vierduizend Molukse militairen, al dan niet met gezin, naar Nederland. Het was de bedoeling dat zij, net als het overgrote merendeel van hun collega’s, zouden overstappen naar de Indonesische strijdkrachten of met pensioen zouden gaan. Helaas is er op 24 april 1950 op de Molukken een opstand uitgebroken. Onder de laatste vierduizend mannen op Java die op het punt staan om over te gaan, zijn er die op het Molukse hoofdeiland Ambon willen vechten voor hun eigen republiek. Anderen twijfelen over wat te doen.

Allen worden vertegenwoordigd door een commissie van eigen sergeant-majoors die naar Nederland vertrekt voor overleg. Ingefluisterd door hun advocaten weet deze commissie te bewerkstelligen dat de resterende militairen ‘tijdelijk’ naar Nederland worden overgebracht. Hierover wordt slecht gecommuniceerd met het thuisfront. De mannen in kwestie lezen blijkbaar geen kranten, en op de eerste vaarten hebben velen dus geen idee waar ze naar toe gaan. Marineman Isaac Keppy gaat met zijn complete familie onwetend over de eindbestemming aan boord van de Kota Inten die als eerste vertrekt. Hij ziet dat er KNIL-mannen zijn die hun wapens en munitie meesmokkelen, voor geval ze ergens worden gebracht waar zij zich moeten verdedigen. Bij Gibraltar begrijpen zij dat Nederland het einddoel is en gooien zij de smokkelwaar overboord.

Het grootste gedeelte van de vierduizend Molukse militairen bestaat uit voormalige KNIL-soldaten. Ongeveer tachtig tot honderd mannen behoren tot de Koninklijke Marine. Het KNIL is opgeheven, die militairen worden ontslagen en ondergebracht in voormalige concentratiekampen, waar zij en hun gezinnen jarenlang verblijven onder niet zo beste omstandigheden.

De Koninklijke Marine is echter niet opgeheven. De Molukse marinemannen blijven in dienst en krijgen na verloop van tijd gewone huurwoningen toegewezen in met name marinestad Den Helder, Loosdrecht – waar het opleidingskamp zich bevindt – en Amsterdam, vanwege het marine-etablissement Kattenburg aldaar. Kwartiermeester Keppy komt met zijn gezin in Amsterdam-Slotermeer te wonen.

In Nederland heeft de gewone burger er weinig benul van dat er al die jaren ook Indonesiërs, waaronder Molukkers, bij de Koninklijke Marine hebben gediend. Geen wonder, want hoewel een derde van de bemanning op de schepen bestond uit Indonesische matrozen kwamen die nooit naar Nederland. Voordat de marineschepen op weg naar Holland in Europese wateren raakten, gingen de Indonesiërs van boord en werden zij vervangen door Nederlanders. Op de terugreis gingen de Nederlandse vervangers weer van boord, en namen Indonesiërs hun plaats in. Tijdens de oorlog lieten honderden Indonesiërs het leven in de Slag in de Javazee, anderen raakten in gevangenschap, een minderheid bleef actief, dit keer wel tot in Europa. De Molukse korporaal-machinist Wim Siahainenia, die in de jaren vijftig in de Nannostraat in Amsterdam West belandt (de straat bestaat niet meer), heeft tijdens de oorlog op onderzeeboten gevaren die vanuit Schotland Duitse konvooien bestookten. Zijn collega, bootsman Minggus Manuputty die eveneens in de Nannostraat woont, heeft met de marine strijd geleverd tegen de Japanners. Bootsman Job Pelupessy in de nabijgelegen Schaapherderstraat heeft als krijgsgevangene van de Japanners als dwangarbeider gewerkt aan de Birmaspoorweg.

Hun echtgenotes en dochters frequenteren de markten op het Bos en Lommerplein en Plein ’40- ’45 en vormen er in hun batik sarongs al snel een vertrouwd beeld. In de ‘Ambonezenkampen’ is de eerste jaren het contact met de buitenwereld gering. De kinderen spelen alleen met andere Molukse kinderen en gaan naar de ‘Ambonezenschool’. Van aanpassing aan de Nederlandse maatschappij is nauwelijks sprake.

Maar in Amsterdam groeien de Molukse kinderen in de jaren vijftig en zestig op tussen Nederlandse buren, ze gaan naar school met Nederlandse kinderen en beschouwen zich al snel als Amsterdammertjes. ‘In het begin heeft mijn moeder ruzie gehad met de buurvrouw over het kokkerellen,’ zegt bootsmanszoon ‘Jonkie’ Pelupessy, en voegt er veelbetekend aan toe: ‘trassi’, een sterk riekend sambalgerecht. ‘Maar al gauw waren we de beste vrienden met de buren.’ Met andere Molukse en Indische jongens vormt hij een bandje dat rock ’n roll speelt op de Zeedijk.

De drie zonen van bootsman Manuputty blijken talentvolle voetballers. De jongste, Wim vertelt: ‘Mijn ouders waren gescheiden, we woonden bij onze vader. Het huishouden doen was voor hem een opgave. En dan kwamen mijn broers Guus en Tommy terug van het voetbalveld met hun vieze spullen.

Weet je wat ze deden? Ze liepen bij de buurvrouw – Moe Sofie kwam uit de Jordaan – naar binnen, de deur stond altijd open. Mijn broers gooiden hun voetbalkleding op de hoop wasgoed en de volgende dag konden ze het schoon, droog en gestreken weer ophalen. Daarom hoor je van mij niets over discriminatie, we zijn liefdevol ontvangen.’

De Molukse kinderen in Amsterdam ontwikkelen zich tussen Nederlandse buren en vriendjes anders dan de kinderen in de tamelijk geïsoleerde Ambonezenkampen, later ‘Molukse wijken’. De eersten zullen over het algemeen minder moeite hebben om hun plek binnen de Nederlandse samenleving te vinden. Amsterdam is inmiddels de grootste ‘Molukse wijk’, wordt er onderling wel gegrapt.

Bron : https://onsamsterdam.nl/artikelen/molukkers-in-mokum

Related Post

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *